Toetsing

Toetsing

Leerdoelen
Na afloop van acht theoretische colleges en vier excursies dienen de studenten te kennen:
* de plaats van zoogdieren in de diersystematiek
* de levenswijze van de acht zoogdierordes in ons land, en hun eigenaardigheden
* de in Nederland algemenere èn enkele bijzondere voorkomende soorten
* het terreingebruik, habitatgebruik van de soorten
* het netwerk van verblijfplaatsen, verbindingszones – routes en foerageergebieden
* de werking van de sonar van de Europese vleermuizen en het gebruik van de batdetector en de interpretatie van sonargrammen
* het herkennen van Nederlandse soorten aan de hand van gedrag en habitatgebruik
* knelpunten en beperkende factoren in populatiedynamiek van verschillende soort(groep)en
* de beschermingstatus van de Nederlandse zoogdieren (Wet natuurbescherming en Habitatrichtlijn)
* inrichting- en beheermaatregelen t.b.v. zoogdiermuizen (in stedelijk gebied en in ‘het veld’)

Tentamen
Oktober: Schriftelijk examen, met multiple-choise vragen èn open vragen.

Bij niet-halen van aantal punten:
November: eventueel herexamen met dezelfde hoeveelheid multiple-choice vragen en dezelfde hoeveelheid open vragen.

Vaststelling cijfer: het eindcijfer wordt bepaald door:
1. C
ijfer van de spreekbeurt. Dit cijfer weegt voor 10%
2. Het tentamencijfer. Dit weegt voor 70%
3. Cijfer van extra opdracht i.v.m. absenties. Het cijfer van de extra opdracht telt voor 20%
4. Presentie / absentie. Twee maal absentie zonder goede reden geeft 2 punten aftrek van het berekende eindcijfer van a. en b. en c. (op schaal van 1 – 10).

Bij mensen die nooit absent waren weegt het tentamencijfer voor 90%.